Atie en Nico Noordhof

PC Hooftstraat 18 - Onderduiken

Atie en Nico Noordhof waren twee heel gewone mensen. Ze woonden in een heel gewoon huis in een gewone straat in Zwolle. Toen de oorlog uitbrak, begrepen ze dat ook de Nederlandse Joden gevaar liepen. Zij besloten hulp te bieden. 'Wij dachten zeven joodse onderduikers in huis te kunnen nemen', schreef Nico, die ambtenaar was bij de provincie Overijssel, na de oorlog aan zijn broer in Amerika. Toen Zwolle in 1945 werd bevrijd, waren er maar liefst veertien Joden tegelijk bij hen ondergedoken. Twee keer zoveel dus! De eersten kwamen al in 1941, de laatsten vlak voor de bevrijding.

Niemand wist hoelang de oorlog zou duren. Een onderduiker zei: 'Als je de gevangenis in moet voor vier jaar, weet je wanneer je vrijkomt. Wij wisten niet of we ooit nog vrij zouden zijn en naar buiten konden.' Bovendien was iedereen altijd bang voor ontdekking of verraad. Het leven met zoveel mensen in één huis was natuurlijk moeilijk. De onderduikers mochten geen lawaai maken. Als er gevaar dreigde, moesten ze naar zolder waar schuilplaatsen waren gemaakt. Soms kwam er bezoek en dan moesten ze uren- of dagenlang in hun schuilplaatsen zitten. En naar de wc konden ze dan ook niet gaan, want dat hoorden de bezoekers dan. Dus hadden ze daarvoor een emmer op zolder. Ook mochten de onderduikers niet buiten komen, of hooguit 's nachts. Een frisse neus konden ze alleen halen als ze ’s avonds het zolderraampje openzetten.

Ook het eten was een probleem. Officieel woonden er immers maar drie mensen in huis: Atie, Nico en Atie's vader. Het zou dus heel verdacht zijn om ineens elke dag zeven broden zouden kopen bij de bakker, of bij de groenteboer kilo's aardappelen. Daarom gingen Atie en haar vader elke dag naar verschillende bakkers en groenteboeren. Ze kochten bij allemaal wat. Nico had een volkstuin en verbouwde daar groente. Zo konden de onderduikers elke dag eten tot het eind van de oorlog. Natuurlijk verveelden de onderduikers zich. Ze moesten de hele dag thuis zitten en hadden niets te doen. Dus organiseerden Nico en Atie muziek- of kaartavonden en met Sinterklaas een groot feest, uiteraard zonder luidruchtig te worden. Ook gaven de onderduikers elkaar les, bijvoorbeeld in Frans of Engels. Overdag zorgden ze voor het eten en maakten het huis schoon. Uiteraard voorzichtig, zodat de buren – één ervan was bij de NSB – het niet in de gaten kregen. En 's avonds luisterden ze stiekem naar de Engelse radio. Dankzij de moed van Nico en Atie Noordhof overleefden veertien mensen de oorlog. Nico schreef aan zijn broer: 'Natuurlijk waren wij ook bang. Wij zijn geen helden, maar gewone mensen. Maar de joden zijn onze medemensen. Daarom moesten wij hen helpen.'

N.C. Noordhoff, ‘Joodse onderduikers in P.C. Hooftstraat 14 te Zwolle’, in Zwols Historisch Jaarboek 3 (1986) 88-115